Feuilleton: Engel-Oog (9)

ENGEL-OOG, pagina 9.

De volgende dag had ik nog een kleine presentatie in het parlement van Dubai, puur voor de bühne zodat de ministers hun goedkeuring voor de plannen van de sjeik konden geven. Geen van hen dacht erover een commentaar te uiten, hoewel de weledel doorluchte Sjeik Mohammed bin Rashid Al Maktoum er zelf niet bij was; hij was met zijn tweejarige zoontje op oryx-jacht. In een van de witte mercedessen van Zijne Koninklijke Hoogheid werd ik, nadat ik – zoals het hoort – drie keer een lunch had afgeslagen, naar het vliegveld gebracht. De politiecolonne voor de staatsauto hield al het verkeer op de weg tegen en leidde mij als een prins naar mijn gereedstaande vliegtuig. Ik was blij toen al die poespas eindelijk voorbij was en ik met een krant in mijn stoel kon gaan zitten.
Na een lange nachtvlucht waarvan ik de helft in slapende toestand had verkeerd landde ik in de vroege ochtend in Boekarest. Hier stond geen bolide mij op te wachten, maar moest ik in een vierdehands Renault met een brommende Roemeen stappen. Het hotel was goed genoeg voor een paar dagen verblijf constateerde ik tevreden: ik was weer met beide benen op de wereld. Ik belde de nicht van Michael op voor een lunch in de middag en gebruikte de rest van de ochtend om me te douchen, me te scheren en de lange reis van me af te schudden.
Michaels nicht leek in geen enkel opzicht op hem. Ze was bijna vijftien jaar jonger dan hij, lang en slank, een op en top society-dame en het product van het nieuwe Roemenië met al haar moderne ideeën. Ze was aardig op haar manier maar miste de warmte en charme van haar oom die ik zo in hem waardeerde. Zoals te doen gebruikelijk bij de jonge mensen van tegenwoordig kwam ze gauw terzake. Ze had “deep research” gedaan naar de uitgever en naar de auteur. Beiden waren onvindbaar maar met haar contacten had ze de volgende dag een bezoek aan het nationale archief van Roemenië geregeld. Daar moest volgens haar informatie over het boek en zijn schrijver te vinden zijn. Ze zou me de volgende ochtend bij het hotel op komen halen om er met mij heen te gaan. Als lunch nam ze een vissalade met een glas rosé, ik een broodje Roemeense geitenkaas, iets wat duidelijk niet in de smaak viel bij mijn tafelgenote. Ze kletste me de oren van het hoofd over haar business, de cosmetica-branche, die in Boekarest “booming” was. Na de tweede koffie vroeg ze me naar haar oom en naar de “opportunity’s” in Nederland op haar werkgebied. Tussendoor onze conversatie keek ze op haar blackberrie, beantwoordde ze sms’en en twitterde ze ononderbroken. Ik had moeite mijn glimlach te behouden. Als ik haar niet nodig had gehad als tolk bij het nationale archief had ik meteen
na de lunch een eind aan ons onderhoud gemaakt. Als kers op de taart moest ik haar verhaal aan horen over haar man en haar dochtertje van acht dat het zo geweldig deed op school.
Ik was blij toen ze zei dat ze weer naar haar werk moest en we voor de volgende dag een tijd afspraken. Slenterend door de straten van Boekarest hervond ik mijn gewone gemoedstoestand. Dat de stad sinds de toetreding van Roemenië was opgebloeid kon ik om me heen zien. De oude statige gebouwen van voor de Koude Oorlog waren schoongepoetst en de straten nodigden je uit om verder te wandelen. Lang geleden, toen Ceauşescu nog de dienst uitmaakte, was ik als jonge ingenieur in de stad geweest. Het was een uitwisselingsproject tussen studenten van mijn universiteit en de universiteit van Boekarest. Ik herinnerde me er weinig meer van dan dat ik in een grauwe zaal op de campus had geslapen en in groezelige café’s had gegeten. Lopend door de drukke winkelstraten merkte ik op dat de café’s waren omgetoverd in lounge-bars met techno-muziek. Ik voelde me opeens erg oud en zocht het Tineretului-park op om te kijken of dat nog was als toen. Het park was zoals ik het de laatste keer had aangetroffen: vergeelde grasperken, krom getrokken ceders en speeltoestellen die piepten in de wind, precies zoals een park in Oost-Europa moet zijn. Zelfs de spuuglelijke Sala Polivalenta stond er nog aan de overkant van de drie meertjes. In het betonnen gebouw uit de jaren zeventig was die avond een bokswedstrijd om de Europese titel tussen een Roemeen en een Turk. Niet wetende dat ik nog diezelfde avond in dat gebouw zou zijn nam ik de metro terug naar mijn hotel.

Naar Thuispagina van: Feuilleton Engel-OogPagina terug naar: Feuilleton Engel-Oog (8) WORDT VERVOLGD.    Naar vervolg: Feuilleton Engel-Oog (10)

Lees, beleef en ervaar mooie verhalen