Feuilleton: Engel-Oog (16)

ENGEL-OOG, pagina 16.

Het was 7 uur toen ik voor het zwarte huis stond. Het zwarte huis was een piepklein houten huis aan de rivier de Donau, maar zwart was het niet. Volgens Michael stamde de naam uit een ver verleden, toen een Joodse geldwisselaar er zijn stek had, en gouden oorbellen van de schippers en zilver bestek van de notabelen in onderpand aan nam. Zoals gebruikelijk hoefde de Jood geen belasting te betalen, want hij was een betrouwbare bank voor de stad. Michael wist te vertellen dat het in de tijd van het communisme het huis van een partijgenoot geweest die er sexfeestjes had georganiseerd, ja toen ook al. Daarna was het in handen gekomen van een Duitser die er een boetiekwinkeltje in had gemaakt. Nadat de Westerse prullaria niet meer in trek waren, had hij het pand te huur gezet. Sinds een paar jaar stond het leeg, want geen Roemeen wilde het huren, omdat het door de Jood en de apparatsjik een slechte naam had gekregen. Om vandalisme tegen te gaan waren de ramen met bruin pakpapier afgeplakt.
De deur was dicht. Ik klopte aan maar er kwam niemand. Als er al iemand binnen was, dan zat hij in het donker, want door de scheuren in het papier voor de ramen kwam geen licht naar buiten. Michael en Condoliza keken me aan en dachten hetzelfde: achterom proberen. We stapten over het half vermolmde houten hekje naast het huis en liepen het tegelpaadje af. Achter het huis was een met hedera en brandnetel overwoekerd tuintje. Ook aan deze kant van het huis waren de ramen afgeplakt. Mijn twee vrienden verborgen zich in een hoek van de tuin.
‘Als je roept komen we er meteen aan,’ zei Condoliza. Michael knikte instemmend.
Ik klopte op de deur en hoorde stappen mijn kant uit komen.
Er knarste een sleutel in het slot en de deur ging open. Een lange dunne man verscheen. Hij had een kale schedelpan en groene ogen als van een kat. Hij keek me aan en vroeg in accentloos Duits: ‘Ben jij Fred van Vlieten?’
‘Ja, dat ben ik,’ zei ik.
‘Zeg jouw vrienden maar dat ze mee naar binnen mogen komen. Ik heb niets te verbergen.’
Ik riep Michael en Condoliza.
Hij gaf mij en mijn twee vrienden een hand en stelde zich voor: ‘Mijn naam is Dieter Horn. Komen jullie binnen.’
Via een kleine keuken kwamen we in een verduisterde kamer. Ik liet mijn ogen aan het schamele licht wennen en zag een campingtafel en vier stoelen in het midden van de ruimte staan.
‘Neem plaats,’ wees Dieter op de stoelen. Hij keek me aan. ‘Het spijt me dat ik je naar dit vervallen huis heb laten komen. Het is voor jouw veiligheid. De jongen die ik je de boodschap heb laten brengen is een zigeuner. De zigeuners zijn de boodschappers van het vrije woord. Zij zijn niet gebonden aan plaats en tijd.’ Hij dacht een paar seconden na. ‘Ik heb begrepen dat je lid bent geworden van onze club. Is jou verteld dat de Orde van de Veer is opgericht door de filosoof Spinoza?’
Ik knikte.
‘Het boek Engel-Oog is door hem geschreven onder een pseudoniem. Hij pakte een doosje uit zijn jaszak en legde het op tafel. ‘Heb je het boek bij?’ vroeg hij.
‘Nee, dat ligt op mijn hotelkamer.’
‘Ligt het daar veilig?’
‘Niemand zal het daar weten te vinden,’ stelde ik hem gerust.
‘Heb je het gelezen?’
‘Ik ben nog in het eerste hoofdstuk bezig. Veel tijd om te lezen heb ik de laatste paar dagen niet.’
‘Snap je de tekst?’
‘Het is een soort sprookje. Veel is er volgens mij niet aan te snappen.’
Dieter glimlachte. ‘Dat komt omdat je het door je eigen ogen leest. Met een engel-oog zal je het wel snappen.’
‘Een engel-oog?’ vroeg ik niet begrijpend.
Hij schoof me het doosje toe en zei: ‘Ik geef je er een mee. Hiermee zal je het kunnen lezen zoals het bedoeld is. Wees er zuinig op. Er zijn er maar tien van op de wereld.’
Ik opende het doosje. Er zat een bolle glazen lens in.
‘Spinoza heeft ze zelf geslepen,’ legde Dieter uit.
‘Waarom hebben jullie mij uitgekozen?’ wilde ik van hem weten.
‘De Orde van de Veer kiest zijn leden niet. Je hebt jezelf uitgekozen door ons te vinden.’ Hij schraapte zijn keel, keek kort naar Michael en Condoliza en vroeg: ‘Wie zijn de mensen die je hebt meegenomen?’
‘Dat zijn vrienden van mij. Je kan hen vertrouwen.’
‘Vrienden van jou zijn vrienden van ons,’ antwoordde hij met een glimlach. ‘Je hebt er goed aan gedaan hen mee te nemen. Je kan niet voorzichtig genoeg zijn. Dat ze ons niet met rust laten, heb je bij de bijeenkomst in het huis ervaren.’
‘Wat is er met hen gebeurd?’ vroeg ik.
‘Ze zijn allen dood.’

Wordt vervolgd.

Naar Thuispagina van: Feuilleton Engel-OogPagina terug naar: Feuilleton Engel-Oog (15) WORDT VERVOLGD.    Naar vervolg: Feuilleton Engel-Oog (17)

Lees, beleef en ervaar mooie verhalen