Feuilleton: Engel-Oog (15)

ENGEL-OOG, pagina 15.

Om half drie in de middag kwamen Michael en Condoliza met hun vliegtuig aan, er was vertraging geweest in hun vlucht. Ik zag hen al van verre aan komen: Condoliza als altijd druk gebarend en pratend, Michael als de kalmte zelf er naast. Hoe dat paar samen kon leven snapte ik niet. In alles leken ze elkaars tegengestelde. Ze kwamen door een glazen schuifdeur de ontvangsthal in.
‘Zo Fred, daar zijn we dan,’ lachte Condoliza terwijl haar dikke lippen mijn wangen zoende. ‘Je ziet er uit als een spook. Heb je de afgelopen dagen weer slecht gegeten? Soep zeker?’ Ze schudde haar hoofd.
Michael gaf me een hand en grinnikte. ‘Goed je weer te zien vriend,’ zei hij.
‘Kom Michael, niet zo treuzelen. We gaan iets eten. Fred valt bijna van zijn stokje.’ Ze wees naar een cafetaria links van de hal. ‘Daar is een restaurantje.’
‘Conda, dat is niets,’ probeerde Michael nog. ‘Ik weet een prima tent in de stad waar we Bokavlias met szpöter kunnen eten. Die is nergens zo goed.’
‘Dan gaan we daar vanavond naar toe.’ Ze liep al door. ‘Eerst de magen vullen!’
‘Vrouwen!’ mompelde Michael tegen me.
Nu was het mijn beurt om te grinniken. Ik volgde mijn twee kompanen naar de cafetaria. Ze hadden alleen hamburgers en knakworsten. We kozen alle drie voor het laatste. De ober zette drie borden met een groot, door midden gesneden, stokbrood met twee knakworsten voor onze neus.
‘Eten!’ gebood Condoliza me.
Ik liet het me smaken en voelde me na de koffie inderdaad wat beter.
‘Waarom kunnen mannen nooit goed voor zich alleen zorgen,’ foeterde Condoliza tegen niemand in het bijzonder.
‘Omdat wij met ons hoofd denken en niet met de maag,’ was Michaels gevatte antwoord.
‘Ja, en dat hoofd kan alleen denken als er voedsel in de maag komt,’ sneerde Condoliza. ‘Reken jij af, dan ga ik nog even naar het toilet,’ zei ze tegen haar man en stond op.
‘Ze heeft slecht geslapen,’ zei Michael toen ze weg was. Hij riep de ober en even later zaten we in de taxi naar het hotel.
‘Neem jij altijd zo’n duur hotel?’ was Michaels reactie toen de taxi voor het gebouw stopte.
‘De sjeik betaalt. Jullie kosten zijn ook voor zijn rekening.’
‘Ik betaal zelf!’ antwoordde Michael.
‘Dat zou een belediging zijn voor de sjeik.’
‘Dan beledig ik hem maar. Dit is mijn land. Ik check zelf in.’
We spraken af dat we elkaar een uur later beneden in de lobby zouden treffen. Omdat ik niets te zoeken had op mijn kamer ging ik in de lobby zitten met een krant. De middagzon begon te zakken en om de warmte te lozen had de hotelier de schuifdeuren van de ingang wagenwijd open gezet. Het zoemen van het verkeer in de stad werkte als een hypnotiserende mantra. Ik sloot voor een moment mijn ogen en luisterde naar het ritselen van de krant in de luchtstroom.
Mijn gedachten gingen terug naar de dagen ervoor. Hoe was ik in godsnaam in dit vreemde verhaal terecht gekomen. Waarom had ik niet nee kunnen zeggen? Was die jongen in mij nog steeds zo nieuwsgierig dat ik moest weten wat er achter stak? Kon ik me niet gewoon omdraaien en weglopen zoals een ieder ander had gedaan? Ik wist het antwoord: Nee. Helaas zat ik anders in elkaar. Ik was nooit iemand geweest die wegliep. Dat was soms goed en soms niet goed. Het had me veel gebracht en me ook veel doen verliezen. Het had me een goed betaalde baan opgeleverd en me tegelijk mijn huwelijk gekost. Ik had de keuzes in mijn leven gemaakt omdat ze gemaakt hadden moeten worden. Pas later wist ik of de keuzes juist waren geweest. Kon je alles maar van tevoren weten, dan was het leven simpel, maar ook oersaai.
Ik deed mijn ogen weer open keek in de ogen van de zigeunerjongen van een dag eerder; hij stond buiten voor een raam. Hij wenkte me met zijn hand, haalde een briefje uit zijn zak en hield dat met beide handen omhoog. Dacht hij dat ik van die afstand kon lezen wat er op stond? Terwijl ik me om die domheid verbaasde legde hij het briefje op de grond met een steen er op. Hij wees naar het briefje en toen naar mij, knikte ernstig en liep toen weg.
Ik deed alsof ik hem niet had gezien en keek om me heen of anderen hem misschien hadden gezien. Ik was alleen, de hotelier was weg achter zijn balie. Wat zou er op het papiertje staan? maalde het door mijn hoofd, net zolang tot ik opstond en naar buiten ging.
Ik raapte het briefje op van de stoep. Het was het handschrift van een volwassen persoon, niet van een jongen. Mijn naam stond er op en daaronder twee zinnen in het Roemeens: “Van Vlieten. Vino mâine dimineață la ora 7 dimineata la casa de negru de râu. Vino singur.”
Ze kenden mijn naam? Was de jongen gestuurd door iemand? Was het een bericht van De Orde van de Veer? Had ik die dag met hem moeten mee lopen? Maar waarom was hij dan weg gerend? Had hij iemand anders gezien van de club van “het dode woord”?
Vol ongeduld wachtte ik tot mijn medereizigers beneden waren. Toen ze eindelijk na een half uur beneden kwamen liet ik het briefje aan Michael lezen.
Deze nam het in zijn hand en vertaalde het voor me: ‘Kom morgenochtend om 7 uur naar het zwarte huis bij de rivier. Kom alleen.’
‘Wie was die jongen?’ vroeg Condoliza.
‘Een zigeunerjongen,’ antwoordde ik.
‘Ik ken het zwarte huis bij de rivier. Wij gaan morgen met je mee,’ besliste Michael.
‘Er staat dat ik alleen moet komen.’
‘De zigeuners zijn niet te vertrouwen. En na wat je mij hebt verteld ben ik bang dat de Roemeense maffia er bij betrokken is. Ik wil niet dat je als hondenvoer eindigt. Wij gaan mee. Dat zien we morgen. Nu gaan we eerst bokavlias met szpöter eten!’

Naar Thuispagina van: Feuilleton Engel-OogPagina terug naar: Feuilleton Engel-Oog (14) WORDT VERVOLGD.    Naar vervolg: Feuilleton Engel-Oog (16)

Lees, beleef en ervaar mooie verhalen