Feuilleton: Engel-Oog (14)

ENGEL-OOG, pagina 14.

De volgende ochtend stond ik op met mijn hoofd vol tegenstrijdige gedachten. Ik keek mezelf aan in de spiegel en vroeg me af of ik de politie moest inschakelen en hen moest vertellen wat ik de vorige avond had gezien en gehoord? Zouden ze me geloven? Ik wist niet eens meer hoe ik bij het oude huis moest komen. In mijn taxirit er naartoe had ik niet in de gaten gehouden in welke straat hij stond. Was het genootschap een maffiabende en hadden ze me voor de gek gehouden met hun genootschap en wilden ze me voor hun karretje spannen om een tegenstander uit te schakelen? Had ik iets gezien wat gangbaar was in de Roemeense onderwereld en kon ik me er beter verre van houden? Toch deden de mensen en de manier waarop ze het gebracht hadden mij twijfelen. Een complot tegen de vrijheid van het woord? Zat de Islamitische Staat er achter? Waren het de haatbaarden die ook in Roemenie hun tentakels hadden? Maar het klopte niet met hoe die te werk gingen. De mensen met wie ik te maken had waren intelligent en kwamen me zo op het oog erudiet over. De voorzitter van het Genootschap van de Veer had me gesmeekt hun zaak voort te zetten, er zat niets van dreiging of afpersing bij. Ik had hem beloofd te zullen helpen en was lid geworden. Belofte maakt schuld is mij vanaf jongs af aan geleerd, dus zou ik werk maken van mijn lidmaatschap. Op het afgesproken tijdstip stond ik voor het archief. De nicht van Michael kwam niet opdagen en bij navraag aan de balie werd mij in gebrekkig Duits te verstaan gegeven dat er zich niemand met die naam had gemeld. De voicemail op haar mobiele telefoon meldde dat ze op het moment niet bereikbaar was. Ik stuurde Michael een app of hij mij haar vaste telefoonnummer kon doorgeven. Hij appte terug dat hij haar eerst zelf zou bellen en zou mij zou terug appen als hij haar gesproken had.
“Ik krijg geen gehoor,” schreef hij terug in een app. “Ik probeer het later nog eens, je hoort van me.”
Ik ging ontbijten en zocht in de kranten van de leestafel naar berichten die mijn verhaal boekstaafden: geen enkele krant maakte gewag van een moord in de stad.
“Ik weet hoe de ambtelijke molen in Roemenie werkt en ga jou helpen met je boek,” stuurde Michael toen ik op mijn kamer was. “Ik heb een vlucht naar Boekarest geboekt, ik en Condoliza komen morgen. Om twee uur landen we op het vliegveld. We komen naar jouw hotel. Blijf waar je bent”. Ja, dat was mooi praten, blijf waar je bent. Ik was niet het type dat lijdzaam wilde afwachten zonder iets te ondernemen. Ik kon allicht zelf alvast in het archief neuzen en een kopie maken. Michael zou het daarna voor me kunnen vertalen.
Ik toonde mijn ingenieurspas en de baliemedewerker liet me zonder aarzelen binnen. In het archiefgedeelte van vóór 1900 was er niemand die me kon helpen. De medewerker in dienst liet me de indexkasten zien, legde met handen en voeten uit waar ik de corresponderende kastnummers kon vinden en liet me toen alleen.
Op “Engel-Oog” vond ik niets, dus zocht ik de kasten na op titels met “Engel” en “Oog”. Ik had net drie boeken op een tafel gelegd en was in een boek aan het bladeren, toen er een man de zaal in kwam en naar me toe liep. Ik zeg liep, maar eigenlijk was het meer hinken, zo erg sleepte hij met zijn rechterbeen. Hij was gezet, had benen als van een olifant en bezat een forse snor die zijn bovenlip aan het zicht onttrok. Zijn zwart geverfde haar plakte tegen zijn schedel en hij loensde sterk. Ik rook zijn vieze adem nog voor hij bij de tafel was. Hij rukte het boek uit mijn handen en pakte de andere twee boeken van de tafel. Ik stond op en eiste mijn boeken terug. Dat was blijkbaar niet de manier om met dit heerschap om te gaan, want hij kwam dreigend voor me staan en wees met driftige wegwerpgebaren naar de deur. Hoewel ik niet klein van stuk ben en zeker niet bang ben uitgevallen, leek hij me geen man om ruzie mee te maken en bovendien wilde ik door hem de politie niet op mijn dak krijgen. Ik vermoedde dat hij gestuurd was door de “doders van het vrije woord”, dus extra voorzichtigheid was geboden. Ik gokte er op dat ik met Michael een tweede poging in het archief kon wagen, dus ik liet me vrijwillig door hem naar buiten bonjouren. Ik gunde hem deze overwinning, want iets in me zei dat ik hem zou terug zien. Hij deed de deur van de zaal achter me op slot, keek me even recht in de ogen aan en hinkte weg.
Met niets omhanden slenterde ik door de stad. In de wijk met restaurants merkte ik dat er constant een zigeunerjongen achter me liep. Hij was gekleed in een oud T-shirt en een aftandse legerbroek. Ik schatte hem een jaar of elf, twaalf. Als ik oogcontact zocht draaide hij zijn hoofd weg, zogenaamd om op een menukaart op een standaard te kijken. Ik ging een klein etablissement in en zette me neer aan een tafel bij het raam. De jongen bleef op een hoek van de straat staan en bleef me in de gaten houden. Het gaf me een gevoel van onbehagen.
Ik at een kop soep en probeerde niet te vaak uit het raam te kijken. De jongen bleef op zijn post staan. Na een glas bier rekende ik af, trok mijn jas aan en liep naar buiten. De jongen stond er nog steeds en keek me nu uitdagend aan. Uit ergernis om zijn brutale blik stapte ik met grote passen op hem af. Hij aarzelde geen moment en rende hard weg. Ik rende een stukje achter hem aan tot hij in een zijstraat dook en tussen de mensenmassa verdween.

Naar Thuispagina van: Feuilleton Engel-OogPagina terug naar: Feuilleton Engel-Oog (13) WORDT VERVOLGD.    Naar vervolg: Feuilleton Engel-Oog (15)

Lees, beleef en ervaar mooie verhalen