Feuilleton: Engel-Oog (13)

ENGEL-OOG, pagina 13.

Achter het paneel was een klein trapje naar beneden dat uitkwam op een lage van baksteen gemetselde gang; we moesten bukken om onze hoofden niet te stoten. De gang was aan weerszijden verlicht door elektrische lampjes uit het jaar nul. De meeste deden het waardoor ik mijn begeleider in het oog kon houden. De tunnel was door vakmannen gemaakt, zo recht was zijn loop en zo glad waren de wanden afgewerkt. Metselaars als zij bestaan er amper nog weet ik uit mijn contact met de opzichters in de bouw. Het was er echter kurkdroog en door het opdwarrelende stof gingen mijn ogen tranen en moest ik hoesten. Tjeco leek er geen last van te hebben en liep onverstoorbaar voor me uit. Wie had deze tunnel laten aanleggen en met welk doel? Ik vermoedde dat er in geen honderd jaar iemand doorheen was gelopen. Waren wij de eersten die hem betraden? En meteen ook de laatste? Want dat die mannen die de deur inbeukten niet op de theevisite kwamen was me duidelijk genoeg. Mijn begeleider versnelde zijn pas alsof hij wist wat ik dacht.
‘Deze gang voert ons onder zes huizen en komt uit in de achtertuin van het laatste huis,’ zei hij toen ik hem vroeg waar we heen gingen. ‘Daar laat ik je gaan.’
Zwijgend gingen we verder tot we aan kwamen bij een trapje met daar boven een ijzeren luik. ‘In de tuin is een poort,’ zei Tjeco. ‘Die ga je door en dan sla je links de steeg in. Aan het eind van de steeg is een weg die de heuvel af gaat. Zo kom je in het centrum van Boedapest.’ Hij drukte me de hand en zei: ‘Succes.’ Hij haalde een sleutel tevoorschijn, ontsloot het hangslot en gooide de sleutel ver de tuin in. ‘Ga nu,’ zei Tjeco, ‘je hebt een voorsprong op hen.’
‘Wie zijn zij?’ vroeg ik.
‘Mensen die het vrije woord willen doden,’ was zijn antwoord. Zijn ogen verrieden geen angst.
‘En jullie? Wat gebeurt er met jullie?’
‘Wij hebben onze taak volbracht. Jij bent onze hoop.’
‘Hoop op wat? Wat moet ik doen?’
‘Doe wat je moet doen. Wees op je hoede en laat je niet in met mensen die je niet vertrouwt. Je moet gaan, anders is jouw komst voor niets geweest.’ Hij duwde me met zachte drang naar buiten.
Ik taste met mijn voeten in het zwarte niets. Ik voelde de zachtheid van gras en zocht met mijn ogen de vierkante tuin af naar een poort. Rondom was een beukenhaag en in een hoek stond een oude eik roerloos in het opkomende maanlicht. Het luik viel achter me dicht en het slot klikte. Ik deed een paar passen vooruit toen ik opeens een holle knal hoorde. Was het een pistoolschot? Had Tjeco…? Ik ontwaarde in het vage licht de poort, rende er heen, rukte hem open en vloog de steeg door. Pas op de onverlichte asfaltweg die naar de stad leidde kon ik mijn adem controleren en werd mijn hartslag langzamer. Naar beneden lopend keek ik soms achter me als ik een auto hoorde, maar de weg bleef leeg en donker. Ik wandelde verder tot ik de eerste huizen zag. In een café zaten twee mannen aan de bar. De bardame zwaaide naar me maar ik liep door.
“Zet ons werk voort” had Pavel Dontjaz van de Orde van de Veer gezegd. Wat moest ik voortzetten en voor wie? Het vrije woord? Dat was zo’n abstract begrip. Wat moest ik doen als lid van de Orde van de Veer? Had ik net als Tjeco een taak te volbrengen of kon ik me er aan onttrekken, naar huis gaan en dit alles achter me laten en vergeten? Ik besloot de nicht van Michael te vertellen wat ik de avond ervoor had meegemaakt? Zij was een Roemeense en was in de stad geboren. Als er iemand was die wist hoe ik dit het beste kon aanpakken, was zij het. Ik hield bij een kruispunt een taxi aan die me naar mijn hotel bracht. In mijn bed viel ik gauw in slaap maar ik sliep onrustig die nacht.

Naar Thuispagina van: Feuilleton Engel-OogPagina terug naar: Feuilleton Engel-Oog (12) WORDT VERVOLGD.    Naar vervolg: Feuilleton Engel-Oog (14)

Lees, beleef en ervaar mooie verhalen