Feuilleton: Engel-Oog (12)

ENGEL-OOG, pagina 12.

‘Ik zal u vertellen wie wij zijn en waar wij voor staan. Ons genootschap heet De Orde van de Veer. Wij zijn een genootschap dat het goede in de mens vooropstelt en er naar streeft een betere en verdraagzamere wereld te creëren. Onze stichter kent u wel als ik u de naam zeg,’ glimlachte hij. ‘Baruch de Spinoza. De Nederlandse filosoof heeft in 1675 De Orde van de Veer opgericht, net nadat hij zijn boek Ethica had voltooid en een half jaar voordat hij het tijdelijke met het eeuwige verruilde. Met zijn orde beoogt Spinoza een vrede onder hen die vrede wensen. Zoals u wellicht weet is onze eerste man gebukt gegaan onder de constante dreiging van berechting en opsluiting omdat hij zijn confronterende mening in de openbaarheid bracht, tot ongenoegen van de klerikale en wereldlijke macht. Een eerlijke kans op een weerwoord om zijn filosofie uit te leggen heeft hij nooit gekregen, want deze mensen wilden niet eens naar hem luisteren. In onze statuten staat daarom bij punt één dat de leden altijd naar elkaar dienen te luisteren, ongeacht de strekking van het betoog. Als je naar een ander luistert, kan je misschien begrijpen wat hij wil zeggen. We moeten proberen elkaar te accepteren en niemand in de samenleving buiten sluiten.’ Hij draaide zijn hoofd naar Milan Pratzic en vroeg: ‘Milan, mag ik je vragen het boek hier te brengen?’
Milan stond op van zijn stoel en liep naar een klein kastje achter de tafel. Een lade schoof open en dicht en met een dik, in leer gebonden, boek kwam hij terug.
‘Dank je,’ zei de voorzitter en nam het boek uit Milans handen. Hij sloeg de dikke kaft open, bladerde tot hij de passage gevonden had en las luid op voor: “Volgens het besluit van de engelen en de uitspraak der heiligen verbannen, verstoten, verwensen en vervloeken wij Baruch d’Espinoza, met toestemming van de gezegende God en deze heilige gemeente met de ban, waarmee Jozua Jericho sloeg, met de vloek waarmee Elisa de knapen vervloekte en met al de vervloekingen die in het Boek van de Wet geschreven staan. Hij zij vervloekt bij dag en hij zij vervloekt bij nacht! Hij zij vervloekt als hij slaapt en hij zij vervloekt als hij ontwaakt. Hij zijn vervloekt bij zijn uitgaan en hij zij vervloekt bij zijn binnenkomen. God moge hem nooit vergeven! God zal zijn naam verdelgen onder de hemel en hem tot zijn verderf losscheuren van alle stammen Israëls, overeenkomstig alle vervloekingen van het verbond geschreven in het Boek van de wet. Wij wijzen erop dat niemand zich tot hem mag richten in woord en geschrift, dat niemand hem enige rust mag verlenen, onder één dak met hem verkeren, binnen een afstand van vier el bij hem zijn of enig geschrift dat door hem is vervaardigd lezen.” ⊗
Alsof er net een gebed was geweest zo bogen de mannen hun hoofd. In de stilte hoorde ik een paar straten verder een auto rijden.
‘Dat, meneer van Vlieten, waren de woorden die Spinoza op 27 juli 1656 te horen kreeg van de Portugees-Israëlitische gemeente te Amsterdam. Die banvloek maakte hem tot een paria onder zijn eigen mensen, tot iemand die men niet meer mocht zien of horen, tot een niets. Kunt u zich voorstellen dat uw eigen familie en vrienden niets meer tegen u zeggen en de deur voor u dichtgooien? Dat u in een klap tot een onmondige wees bent gemaakt, alleen omdat u dingen vertelt die anderen niet willen horen? Nee, dat kunt u zich in onze Westerse wereld niet meer voorstellen. Toch staan er wederom mensen op die koste wat het kost het vrije woord willen vernietigen. Zij zijn niet alleen en hun aantal groeit met de dag.’
De auto reed de straat in. Hij reed hard want ik hoorde de banden op het wegdek slippen.
Pavel had het ook gehoord en liet zijn hand boven het boek hangen, als wilde hij een bezwering uitspreken. ‘Ik zal mijn rede kort houden want we hebben niet veel tijd meer,’ zei hij. ‘U bent hier gekomen om te weten wie Engel-Oog heeft geschreven. Elk lid van ons genootschap kent de auteur maar wij willen u niet zeggen wie het is. Dat zult u zelf moeten uitzoeken. De eerste stap die u daarvoor moet zetten is lid te worden van ons genootschap.’ Hij tikte met zijn wijsvinger op het boek en vervolgde: ‘Als u uw hand op het boek wil leggen om het lidmaatschap te aanvaarden, zal ik u…’ Hij stopte zijn zin toen buiten een autoportier dicht sloeg.
De mannen aan de tafel keken elkaar aan en knikten. Er lag berusting in hun ogen.
‘Wilt u ons helpen meneer van Vlieten?’ vroeg Pavel.
‘Ik wil u graag helpen als ik dat kan. Wat kan ik voor u doen?’ vroeg ik.
‘Ons genootschap te laten voortleven.’
‘Zo te zien is het genootschap in goede handen,’ probeerde ik de gespannen sfeer weg te blazen, maar ik zag dat mijn opmerking koude grond raakte.
‘Het is in gevaar meneer van Vlieten.’
‘In gevaar?’
‘Wordt u lid meneer van Vlieten en helpt u ons? Alstublieft.’
‘Dan wil ik toch eerst graag de statuten doorlezen.’
‘Daar is helaas geen tijd meer voor.’
Er werd aan de deur gebeld.
‘Ze zijn er,’ zei Milan met een nerveuze stem. Zijn anders zo rustige ogen schoten van de voorzitter naar de kamerdeur.
‘Ik weet het Milan. Hora est. Doe de deur op slot, dan hebben we nog een minuut respijt.’ Hij keek me doordringend aan. ‘Ik vraag het u nog één maal. Wilt u ons helpen en lid worden van De Orde van de Veer?’
Waarom ik het zei weet ik nu nog niet, maar ik antwoordde: ‘Ja, dat wil ik.’
‘Komt u dan voor me staan en legt u uw rechter hand op het boek.’
Ik deed wat hij me vroeg en zei zijn woorden na: ‘Ik, Peter van Vlieten, zal in navolging van Baruch de Spinoza, mij niet laten knechten en mij monddood laten maken. Ik zal de waarheid zoeken in al haar gedaantes.’ Daarmee was mijn intrede in de Orde van de Veer een feit.
In de gang kwamen voetstappen dichterbij tot voor de deur. De klink werd naar beneden geduwd en er werd op de deur gebonsd.
De voorzitter wenkte Tjeco en zei tegen mij: ‘Omdat je nu lid bent tutoyeer ik je Peter. Tjeco zal je door de geheime deur naar buiten brengen.’ Hij gaf mij een hand. ‘Ga nu en zet ons werk voort.’
Tjeco draaide aan een schroef in de muur en voor mijn ogen zwaaide een paneel open. ‘Volg mij,’ zei hij, terwijl iemand met een zwaar voorwerp op de kamerdeur in beukte.

⊗ Spinoza, Ethica; Uitgeverij Bert Bakker, vertaling en inleiding Henri Knop, 2002.

Naar Thuispagina van: Feuilleton Engel-OogPagina terug naar: Feuilleton Engel-Oog (11) WORDT VERVOLGD.    Naar vervolg: Feuilleton Engel-Oog (13)

Lees, beleef en ervaar mooie verhalen