Feuilleton: Engel-Oog (11)

ENGEL-OOG, pagina 11.

‘Heeft u het boek bij u,’ vroeg Tjeco vlakbij mijn oor.
Ik keek hem aan en zag dat de stoel van Milan verlaten was.
‘Ja,’ antwoordde ik en toonde hem het boek. ‘Wat wilt u van dit boek?’
Hij gaf daar geen antwoord op en stond op. ‘Laten we dan gaan. Ik heb genoeg van dit barbaarse gevecht.’
‘Wat wilt u van mij en waarom heeft u mij hierheen laten komen?’
‘U heeft veel vragen, dat snap ik. We zochten een plek waar we bij een ontmoeting met u niet zouden opvallen. Een bokswedstrijd leek ons de uitgelezen plek daarvoor. Gaat u mee?’
“We” en “ons” had hij gezegd. Wie was er nog meer geïnteresseerd in Engel-Oog? Wie was deze Tjeco? Wat had de oude man uit het hotel ermee te maken? Wie was hij? Waarom was hij weggegaan? Wat wilden ze van mij? Ik keek naar Tjeco die zijn geduld leek te verliezen.
‘En als ik niet mee ga en hier de wedstrijd blijf kijken,’ vroeg ik hem.
‘Dat is natuurlijk aan u. Wij verbieden noch gebieden anderen iets. U wilt antwoorden op uw vragen, is het niet? U wilt meer weten over het boek in uw handen? U wilt weten wie de auteur is? U wilt weten wie ik en meneer Pratzic zijn? U wilt weten wie ons gestuurd heeft?’
Ik knikte en dacht na over die laatste vraag. Had de nicht van Michael hen naar me toegestuurd? Waarom had ze daar niets van gezegd? Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn angst.
Hij zag dat ik overstag wilde gaan en zei resoluut: ‘Komt u mee, ze wachten op ons.’
Weer buiten in de frisse avondlucht kon ik vrij ademen. Die adem stokte toen ik een donkerblauwe Mercedes met een ronkende motor aan het plein voor de hal zag staan en Tjeco zei: ‘Stapt u in meneer van Vlieten.’
Ik stapte in en Tjeco kwam naast me zitten. Dat hij mijn naam kende verbaasde me al niet meer. Hij was vast van de inlichtingendienst van Roemenië. Nee, ik was niet bang. Roemenië was geen Oostblok-land meer dat willekeurig mensen kon oppakken en vast zetten; die tijd was geweest. Er moest iets anders achter steken en ik wilde weten wat. Had het met het boek te maken? Wat was er zo bijzonder aan het boek dat ze deze mensen op me hadden afgestuurd?
We reden door de felverlichte winkelstraten waar de mensen met tassen vol van winkel naar winkel liepen. Tjeco had er geen oog voor en was net zo zwijgend als tijdens de bokswedstrijd. De chauffeur kende de weg en stuurde de auto een oude wijk van Boekarest in. We gingen een stille straat met imposante maar vervallen stadsvilla’s in. De chauffeur parkeerde de auto voor een van de huizen. Twee seconden nadat ik en Tjeco waren uitgestapt reed de auto weg.
‘We zijn er,’ was alles was Tjeco zei. Hij trok aan de bronzen klingel naast de deur. Het geluid van de bel was oud, net als het huis zelf.
Een jonge vrouw in een grijs mantelpak deed open. Ze keek naar Tjeco en toen naar mij, vroeg iets aan Tjeco die met één woord antwoordde waarop we werden binnengelaten.
De smalle hal was matig verlicht zodat ik niet goed zag wat er op de schilderijen aan de muur te zien was. De mevrouw klopte twee keer op de tweede deur aan de linkerkant, wachtte tot er werd geroepen en liet ons binnen.
De kamer was ruim bemeten en had een hoog plafond. Ik keek automatisch omhoog. In het midden in het plafond was een ovalen spiegel met vier gouden engeltjes die de spiegel met hun handjes omklemden. Aan de muren hingen barometers, hygrometers en andere apparaten van hout en glas die ik niet kon thuisbrengen. Het tapijt op de vloer had zijn beste tijd gehad en dat gold ook voor de planken van het parket dat ik door de gaten in het kleed kon zien.
Een kort kuchje deed me opkijken. Rechts in de kamer stond een grote ronde tafel. Er stond een zilveren dienblad met een karaf en glazen op. Ik zag vier mannen zitten waaronder Milan Pratzic, de oude man uit het hotel.
Niet hij maar een andere man stond op en kwam naar ons toe. Hij was het schoolvoorbeeld van een Engelse Lord, parmantig, ouderwets gekleed in een corduroy pak. Zijn besnorde gezicht straalde een en al vriendelijkheid uit en zijn stem bevestigde dat beeld. ‘Welkom in ons huis. Ik ben blij dat u bent gekomen meneer van Vlieten. Excuseert u mij dat ik niet zo goed Duits spreek. Mijn naam is Pavel Dontjaz. Ik ben de voorzitter van ons genootschap.’ Hij gaf mij een hand. ‘Mag ik u voorstellen aan de andere heren. Een van hen heeft u al ontmoet, dat is meneer Pratzic. Hij is onze secretaris.’
Pratzic knikte glimlachend naar me.
De voorzitter liep naar de tafel en wees naar een kleine man met grijze krullen en varkensoogjes. Hij was gekleed in een geel geruiten pak. Hij deed me aan Billie Turf denken, maar dan de opa ervan. ‘Dit is meneer Micha Smörren. Hij is onze penningmeester.’
De man stond op, gaf me een warm klef handje en zei: ‘Aangenaam kennis met u te maken.’
‘De heer naast hem is Mirka Pylartjek,’ vervolgde de voorzitter. ‘Hij is ons manusje van alles.’
Mijnheer Pylartjek was een dunne lange man met een praktisch kaal hoofd die me krom voorover gebogen begroette.
‘Neemt u plaats,’ zei Dontjaz en wees me een lege stoel aan. Ik zag dat Tjeco op de andere stoel ging zitten.
Ik ging zitten en legde het boek voor me op de tafel. Dat gebaar ontging de heren niet want ze keken allemaal gebiologeerd naar het boek.
‘Net als bij de Ronde Tafel van Koning Arthur hebben wij geen vaste plaatsen,’ merkte Dontjaz op. ‘Bij ons is iedereen gelijk, ongeacht geboorte, afkomst rang of leeftijd. Wij spreken elkander dan ook aan met de voornaam. Ik hoop dat u ons daarin wilt en kunt volgen. Het enige wat wij vragen van onze leden is een gezond stel hersenen en een onberispelijk gedrag.’ Hij wachtte totdat de anderen hun ogen hadden afgewend van het boek en hij hun volle aandacht had. ‘Ik zal u vertellen wie wij zijn en waar wij voor staan.’

Naar Thuispagina van: Feuilleton Engel-OogPagina terug naar: Feuilleton Engel-Oog (10) WORDT VERVOLGD.    Naar vervolg: Feuilleton Engel-Oog (12)

Lees, beleef en ervaar mooie verhalen