Feuilleton: Engel-Oog (10)

ENGEL-OOG, pagina 10.

Ik nuttigde het diner in het hotel en ging daarna met mijn boek in de salon zitten. Ik was de enige in de paars verlichte ruimte. Af en toe liepen er gasten door de gang naar de receptie en ging de lift omhoog. Na half zeven in de avond viel dat verkeer stil en was ik alleen. De bubbels van het aquarium met haar zieltogende vissen was het enige geluid. Ik soesde langzaam weg met het boek in mijn handen zonder echt te lezen.
Ik had denk ik een uur gezeten toen een oudere heer de salon binnen trad en vroeg of hij bij me aan het tafeltje mocht komen zitten. Op zijn kleine hoofd prijkte een hoedje en zijn zilverwitte snor deed me aan foto’s van een ver verleden denken. Hij stelde zich voor als Milan Pratzic en zei dat hij een gepensioneerd tuinman was; hij had ooit lang geleden in de tuinen van Ceauşescu’s paleis gewerkt. Op mijn vraag wat hij in het hotel kwam doen zei hij dat hij er vaker koffie kwam drinken, het was er zo heerlijk rustig. Zijn wedervraag was waar ik vandaan kwam en of ik op doorreis was. Terwijl ik uit de doeken deed waar ik vandaan kwam en wat ik zo in mijn leven deed, viel het me op dat hij vanaf de eerste seconde dat hij zat, zijn ogen over het boek liet dwalen, en het duurde dan ook niet lang of hij wees naar het boek, en of hij het even mocht bekijken. Mijnheer Pratzic bekeek alleen de eerste paar pagina’s en legde het toen voorzichtig terug op de tafel.
‘Dat is een heel mooi en oud boek. Waar heeft u die vandaan?’
‘Van een bibliotheek in Nederland,’ antwoordde ik. ‘Ik ben hier om uit te zoeken wie de schrijver is. Kent u de hem misschien?’
‘Nee, die ken ik niet. De titel ken ik ook niet. Wel een mooie titel, Engel-Oog.’
Zijn kalme air die hij bij binnenkomst tentoongespreid had was omgeslagen in een rusteloosheid en hij leek een eind aan ons gesprek te willen maken.
Op mijn vraag of hij koffie wilde schudde hij nee. ‘Ik moest maar weer eens gaan,’ zei hij en schudde me de hand. ‘Houdt u van boksen?’ vroeg hij toen hij naast de tafel stond.
‘Boksen?’
‘Ja, de ene man tegen de andere, met de blote vuisten. Er is vanavond in de Sala Polivalenta een bokswedstrijd tussen een Roemeen en een Turk. De Roemeen wint uiteraard. Wilt u daar misschien naar toe?’
‘Ik moet u bekennen dat ik nog nooit naar een wedstrijd ben gaan kijken.’
‘Ik heb gratis kaartjes van mijn zoon.’ Hij reikte mij een kaartje aan: ‘Hier, deze is voor u. De wedstrijd begint om negen uur. Komt u?’
‘Ik weet het nog niet.’
‘En neemt u dan uw boek mee. Ik neem iemand mee die meer van boeken af weet dan ik.’
We namen afscheid en iets meer dan een uur later stond ik voor de tweede keer die dag voor de Sala Polivalenta. Het was een drukte van jewelste bij de loketten waar gewed kon worden. Omdat niemand mij de weg kon of wilde wijzen kostte het me moeite mijn plaats te vinden. Het was bijna negen uur en de tribunes waren afgeladen vol. Nu al had ik het warm onder de hete lampen aan het plafond van de zaal. Ik kreeg spijt dat ik me had laten overhalen en wilde net op staan om weg te gaan, toen ik Milan Pratzic en een jongere man in een lange zwarte leren jas door de menigte zag komen.
‘U bent gekomen!’ riep Milan uit en hij duwde de andere man naar voren. ‘Dit is mijn buurman Tjeco Spanco. Tjeco, dit is de meneer uit Nederland.’
Ik stelde me voor terwijl de jonge man zwijgend naast me kwam zitten. Milan nam plaats naast hem. Tjeco had een onguur gezicht en had zich net iets te glad geschoren en iets te veel after shave opgedaan.
‘Tjeco weet alles van oude boeken,’ riep Milan boven het rumoer uit. ‘Nietwaar Tjeco?’
De man knikte en keek me met zijn kille blik aan. Ik wilde hem iets vragen toen opeens een voor een de lampen doofden en een stadionspeaker de boksers aankondigde. Een spotlicht verlichte een hoek van de zaal. Eerst kwam de Turk het podium op. Hij was een beer van een vent met een kop als van beton. Als een wild dier keek hij om zich heen, klaar om wie dan ook in tweeën te trekken. Hij werd uitgefloten en uitgejouwd maar dat leek hem niet te deren. Toen verscheen de Roemeen. Hij werd als een held ontvangen en liet met een glimlach zien wie het thuisvoordeel had. Hij was minder imposant als zijn rivaal maar leek sneller in zijn bewegingen. Hij maakte een rondje door de arena en liet zich toejuichen
De speaker maande het publiek tot kalmte en toen kwam de scheidsrechter de touwen in. Hij mompelde enkele woorden tot de twee boksers, legde in het kort de regels uit en liet zijn arm zakken ten teken dat het begonnen was. De gong voor de eerste ronde werd geslagen.
De Turk sloeg er meteen op waardoor de Roemeen tollend in een hoek belandde. Zijn begeleider duwde hem terug de ring in en de Roemeen danste voorzichtig om de Turkse moker, hem geen moment uit het oog verliezend. De Turk incasseerde enkele rake klappen en haalde toen uit met zijn enorme vuist: de Roemeen lag even versuft op de grond. De zaal ontplofte bijna van woede en de Turk werd van alles toegeschreeuwd. De scheidsrechter telde tot zes en toen klauterde de Roemeen via de touwen omhoog. Het gejuich overstemde de boze kreten en de wedstrijd ging verder. Het gezicht van de Roemeen zat onder het bloed maar hij kon met één oog kijken om op tijd weg te duiken als de Turk een zwaai naar hem deed. De gong klonk voor de eerste pauze en er klonk opluchting uit de menigte. Beide boksers keerden terug naar hun begeleider in de hoek.
‘Heeft u het boek bij u,’ vroeg Tjeco vlakbij mijn oor.
Ik keek hem aan en zag dat de stoel van Milan verlaten was.

Naar Thuispagina van: Feuilleton Engel-OogPagina terug naar: Feuilleton Engel-Oog (9) WORDT VERVOLGD.    Naar vervolg: Feuilleton Engel-Oog (11)

Lees, beleef en ervaar mooie verhalen