Niet mokken maar wokken

Niet mokken maar wokken

Het heeft best wel lang geduurd, maar eindelijk is het Wok-Akkoord er dan door in de Tweede Kamer. Het Wok-Akkoord zal je vragen? Is dat een nieuw najaars-akkoord tussen de Vakbonden en Den Haag? Of krijgen de ouderen met de WOK iets meer AOW? Nee, het Wok-Akkoord is een afspraak tussen de Aziatische restaurants in Nederland en de Tweede Kamer, waarin staat dat er vanaf nu jaarlijks 1000 koks uit China en Japan legaal het land in mogen om hier de restaurants van geschoold personeel te voorzien. Tot nu toe kwamen deze Oosterse keukenprinsen hier werken zonder verblijfs- en werkvergunning en dat was voor de Immigratie-Waakhond in Brussel onverteerbaar. Wél jaarlijks 1000 Chinezen en Japanners laten komen en maar 500 Syriërs toelaten vonden ze daar geen pas geven. Dus besloot de regering Rutte dat er iets gedaan moest worden om het gegrom te laten stoppen. Als ze dan toch komen, zo dacht men, dan moeten ze maar meteen een verblijfs- en werkvergunning krijgen. Als er zo meer mensen naar de restaurants komen en geld uitgeven worden wij er tenminste beter van, denken ze in het Haagse. “Dat is de VOC-mentaliteit! Toch?” zou Balkenende gevraagd hebben. Of wij er beter van worden of de Chinese en Japanse families en hun uitgebreide connecties overzee is een andere vraag die onbeantwoord blijft.

Natuurlijk geldt bij ons wel het Poldermodel, dus voor wat hoort wat. Er is een voorwaarde gesteld aan die influx van deze verre vreemdelingen: in ruil voor dit gulle gebaar moet de sector Nederlandse koks gaan opleiden zodat ze ook geschikt zijn om in hun keukens te kunnen werken.

Ik schets even een beeld van hoe dat in zijn werk gaat. Tim, zijn VMBO- koksopleiding net afgerond, gaat in de leer bij de Japanse Meester-kok Hyjamoto. Deze kok kan in tien seconden met een vlijmscherp mes een meter lange tonijn van zijn vinnen, kop en organen ontdoen, er razendsnel twee dunne filets af snijden, die in een enorme wok met hete olie deponeren zonder zich te branden, tegelijk met zijn andere hand kruiden en groenten erbij doen, en daarbij een Japans liefdesgedicht opzeggen. Tim mag in het begin alleen het knechtje zijn van Hyjamoto, want een Japanse Meester-kok laat zich door zo’n rood gekuifde polderjongen natuurlijk niet vertellen hoe hij zijn keuken moet runnen. Dat de arme jongen al de eerste dag een Thais pepertje voor een worteltje aanziet en een half uur met zijn hoofd onder de kraan hangt, is nog te aanvaarden voor de Oosterling. Dat hij met zijn tengels aan het heilige messenblok durft te komen wordt de knaap bijna fataal, ware het niet dat de bedrijfsleider er net op tijd tussen springt. In het Japans legt de zwetende manager aan de kok uit dat er in Nederland andere omgangsvormen zijn. Na een fiks aantal diepe buigingen en excuses van Tim mag deze in de keuken blijven werken.

Al doende leert men, maar het is best lastig als je in een keuken alleen met gebaren met elkaar kan communiceren. Dat Hyjamoto geen Nederlands spreekt en wil leren spreken is voor iedere Japanner vanzelfsprekend. Het Japans is een wereldtaal vinden ze. Tim moet maar Japans leren als hij de Sushi van de Wushi wil leren onderscheiden. Dat Tim de Japanse woorden na twee weken nog niet machtig is ligt natuurlijk aan het VMBO, waar het Japans helaas pas in de kinder-geta’s staat. Dat het onderwijs hier wel wat meer tucht en discipline kan gebruiken, hoef je een Japanner niet te vertellen. Dat weet zelfs de kleinzoon van Hyjamoto, die ooit zijn grootvader gaat opvolgen als Meester-kok.

Tim, succes jongen!

Lees, beleef en ervaar mooie verhalen