Passages uit ”Hotel -1”

Je kent mij. Ik ben altijd oprecht naar jou geweest en dat zal ik nu ook zijn. Dat jij en ik hier samen zijn, nadat we elkaar zo lang niet hebben gesproken, heeft een goede reden en is uiterst belangwekkend. Er is iets gebeurd wat ik aan niemand anders kan vertellen. Jij bent de enige die ik dit kan vertellen zonder dat ik bang hoef te zijn dat je me zal gaan uitlachen. Daarom heb ik je gebeld en gevraagd me hier te ontmoeten. Ik ben zoals je weet gewoonlijk kort van stof, maar ik wil je deze keer vragen te gaan zitten en goed naar me te luisteren. Ik heb iets ongelooflijks meegemaakt, iets wat je alleen mogelijk acht in een hallucinerende droom of zal zien in een kleurrijke sprookjesfilm. Een onwerkelijke werkelijkheid is mij overkomen. Een werkelijkheid waarvan ik het bestaan nooit had kunnen vermoeden, en ik denk jij net zomin als ik. Probeer naar me te luisteren zonder vooroordelen en twijfel niet aan de soms fantastische of ongeloofwaardige woorden die ik tot je richt. Hoor mij aan en ik zal proberen je zo helder en eerlijk mogelijk alles te vertellen wat er gebeurd is: alles, vanaf het begin tot aan het einde.

Ik was nat en koud. De regen trommelde ongenadig op mijn gebogen hoofd en het water liep in kille straaltjes van mijn nek in mijn blouse tot in mijn onderbroek. Mijn lijf voelde klam aan en ik rilde. Het hemelwater deed me al enige tijd niets meer en baldadig stapte ik in de diepe plassen op de gebroken stoeptegels. Het deed me terugverlangen naar mijn kindertijd, toen ik van school naar huis liep en het hard regende en je niet kon schuilen omdat de schooldeur net gesloten was, en rennen geen zin had omdat je binnen enkele minuten toch door- en doornat was geregend. Toen was alles in het leven nog zo eenvoudig en logisch.
Ik keek op en nam de huizen, de brede stoep en het wegdek voor me waar. Het was een trieste levenloze straat, waarin alles grauwer leek doordat de eerste drie lantaarns kapot waren. De stille huizen hadden groezelige en gebarsten muren alsof ze al het vuil uit de lucht opzogen als een spons. Van de verwaarloosde deuren bladderde verf in barokke krullen af. Het asfalt was op vele plekken weggesleten waardoor de glanzende kinderkoppen zichtbaar werden. Als ik had geweten dat het hotel in zo’n treurige wijk stond, had ik een ander gekozen.

Ik was bij het hotel aan gekomen. ‘Is dit een hotel?’ vroeg ik, onzeker door haar verschijning en haar weigering iets te zeggen. Ze antwoordde niet. Kon ze niet praten? ‘Heeft u een kamer vrij,’ probeerde ik een tweede keer. Nog zei ze niets, maar ze trok de deur iets verder open. Ik kon achter haar de hal in kijken, deze was schaars verlicht. Ik zag geen lamp en vroeg me af waar het zwakke lichtschijnsel vandaan kwam. Was het wel een hotel? Of was het een huis waar ik liever niet naar binnen ging? ‘Kan ik hier slapen?’ vroeg ik en wilde me al omdraaien toen ze opeens sprak.

‘Weet u zeker dat u hier zijn moet?’ vroeg ze met een omfloerste stem en keek met gefronste wenkbrauwen naar mijn trekkoffer.

‘Dit is toch een hotel?’ antwoordde ik, geërgerd door haar vreemde vraag die de associatie van een hotel met slapen verwierp.

‘Ja, dit is een hotel, maar misschien kunt u beter een ander hotel zoeken,’ stelde ze voor en toonde een verontschuldigende glimlach. ‘Er zijn vast andere hotels waar u terecht kunt.’

‘Ik ben al bij een ander hotel geweest en die was dicht. Heeft u een kamer of niet?’

‘Natuurlijk hebben we kamers, maar ik weet alleen niet of… Het is niet gebruikelijk dat gasten door deze deur binnenkomen.’ Ze schuifelde opzij en drukte zich tegen de deur aan zodat er meer ruimte voor me kwam.

‘Dit is toch de voordeur?’ Was dit geen echt hotel? Was het een hoerentent?

 

Toen ik de ontbijtzaal binnenkwam keken alle gasten op en werd het opeens muisstil. Het waren, op een enkele uitzondering na, allemaal oude, veelal gezette mannen. Ik zag maar een paar vrouwen tussen hen in. Het zou het restaurant van een verpleeghuis kunnen zijn. Een goedemorgen allemaal,’ doorbrak ik de plots ontstane stilte. Terwijl ik met een glimlach tussen de groepjes mensen naar de tafels met het uitgestalde ontbijtbuffet liep, nam ik de gezichten van de mensen in me op. Het waren meest doorleefde en pafferige, door alcohol of ziekte aangetaste, soms zelfs clowneske gezichten. Sommigen waren gekleed in vreemde of ouderwetse kledij. Zo zag ik een vrouw met een hoog opgetast suikerspinkapsel in een groteske baljurk, een man in een militair uniform en een andere man in een rode monnikspij. De twee gedachten die me te binnen schoten was dat ze óf verkleed waren voor een of ander feest, óf dat het acteurs waren van een plaatselijke amateurvereniging.

Na het ontbijt ging ik naar mijn kamer, pakte mijn koffer en ging toen de gang op richting de receptie. Ik stapte de hoek om en zag dat er enkele gasten in de hotelbar waren. In de hoek voor het staand horloge zaten vier mannen aan de tafel te kaarten. Ik herkende de norse ineengedoken man met zijn Chaplin-snorretje, en zijn keurige tafelgenoot van het ontbijt die tegenover hem zat. De eerste keek kort op en ik zag de hemelsblauwe ogen in zijn voddige gezicht die oplichtten als glazen knikkers. Ik zag dat zijn hoofd licht trilde en stelde vast dat hij de ziekte van Parkinson had. De twee andere mannen had ik niet eerder gezien. De een was een kort dikkerdje in een zwart militair uniform met glimmende gouden knopen, en een witte nauwsluitende driekwartsbroek, die bij zijn enkels was dichtgebonden met een strik. Hij keek fel uit zijn ogen. Na elke kaart die hij op de tafel gooide, streek hij verwoed zijn zwarte haarlok op zijn sterk kalende hoofd opzij. Met een grimmig rood hoofd volgde hij verbeten het spel, hij was zo te zien iemand die zijn dagen sleet met kaartspelen. De ander, zijn speelpartner, was een stijve en vreemd geklede heer in een rood fluwelen jasje, een witte broek met veters van boven tot onder, en met een opgedofte witte pruik. Hij leek te zijn weggelopen uit een fanfarekorps. Hij nam me hautain op toen hij me zag binnen komen. Was zijn speciale aankleding voor het feest dat ze gingen houden? Was er een carnavalsfeest ergens in de stad? Hoorde hij bij de andere mensen die zich zo fantasievol hadden verkleed? En waarom was deze man van hen vieren extra uitgedost?

Dit kon toch niet waar zijn?! Hoe kwam ik hier uit?! Ik probeerde mijn gedachten te ordenen om niet in paniek raken. Waar was Norma? Die kon me uitleggen hoe het precies zat. Zonder haar kon ik geen kant uit. Was zij het hoofd van de verpleging? Waren deze vreemde hotelgasten misschien psychiatrische patiënten en waren zij gevaarlijk? Ze aten met mes en vork bij het ontbijt. Mocht dat? Ik had geen enkele ervaring met dit soort mensen. Moest ik aardig zijn en met hen spreken alsof ze normaal waren? Ik voelde hoe mijn hart in mijn borst stuiterde. Was mijn angst te zien voor de anderen?

Ik stond op van het bed en ging naar de kamerdeur. Hij zwaaide open toen ik mijn hand er naar uitstrekte. Daarover had ik dus niet gedroomd. Ik glimlachte om mijn zelfbegoocheling. Als ik naar het restaurant en de hotelbar zou gaan, zou ik zien dat mijn zorgvuldig geconstrueerde wolkenverhaal door een schone wind uit elkaar geblazen zou worden, en dat die vreemde mensen die mij in mijn dromen gepasseerd waren gewoonweg niet bestonden. Voorzichtig om geen geluid te maken liep ik naar het restaurant. Het was leeg en zag eruit zoals ik het de vorige nacht had aangetroffen. Zie je wel zei ik tegen mezelf, er is niets veranderd en die rare mensen zijn er ook niet. Uit de hotelbar kwamen stemmen. Ik bleef met mijn rug tegen de hoek van muur staan, vlak naast de toegang tot de bar, en luisterde aandachtig of ik een van de stemmen herkende. Een hinnikende lach van een man klonk door de ruimte. Het was een lach die ik eerder had gehoord: de lach van de forse neger, van Idi. Ik was zó gefocust op het rumoer vanuit de bar dat ik niet hoorde dat er iemand uit de gang naar me toekwam. ‘Dag Chris. Wat doe je? Zoek je iemand?’ vroeg een vrouwenstem.
Ik schrok en draaide mijn hoofd om.

Bestellen

Lees, beleef en ervaar mooie verhalen